In Berlijn – Weihnachtsfeier

Zelfs toeristen worden geduld in de kantine van het Berliner Ensemble. Mits ze twee tafels mijden. Dat Bertolt Brecht de basis legde voor het theatergezelschap betekent nog niet dat alle medewerkers recht hebben op dezelfde exclusiviteit. De technici beschikken over hun eigen Ecke. Aan de overkant neemt een oudere heer met een vuistdikke stapel papier bezit van de tafel die blijkens een bordje ‘das Ensemble’ toebehoort. Zou hij een beroemd acteur zijn, dan doet iedereen hier zorgvuldig zijn best dat niet te laten merken. Hij spoelt de kalfsragout weg met een glas Sekt en vertrekt weer, zonder zelfs maar naar zijn papieren te hebben gekeken.

Aan een andere tafel wendt een man rommelend met zijn telefoon en wat paperassen werkzame activiteit voor. Af en toe streept hij iets aan op een lijst. Het gebaksbordje voor hem is tot de laatste kruimel leeggegeten. Nadat hij het papierwerk in zijn binnenzak heeft gestopt dommelt hij boven zijn telefoon langzaam in.

In de groep naast hem stijgt de stemming. Er zijn ongeveer evenveel dames als heren, maar niemand lijkt bij elkaar te horen. Zoals vele groepen dezer dagen houden ze hier hun Weihnachtsfeier, blijkt zodra een van de mannen het woord neemt. Hij draagt een dikke grijze kabeltrui onder zijn helderblauwe visgraatkostuum. Uit de borstzak steekt een dennentak, een frivoliteit die naadloos aansluit bij de humor die hij in zijn toespraak ten toon spreidt. “Denk eraan, de kerstboom niet weggooien, want volgend jaar kunnen we ons vast geen nieuwe permitteren!” De eenzame werker schrikt even op van het gelach, spert zijn ogen wijdopen, alsof hij verbaasd is zichzelf aan te treffen in deze sfeer van gute Laune.

De spreker schuift aan bij een iets jonger ogende man met een bodywarmer over zijn Rollkragenpullover. Het mouwloze vest is er één met heel veel zakken en ritsen, zoals vissers en fotografen ze wel dragen. Op zijn wipneus staat een bril met ronde glazen, en de witte wijn heeft hem een diepe blos bezorgd, waardoor hij oogt als een slanke versie van kabouter Plop. Een van de dames komt afscheid nemen, hij omhelst haar innig en fluistert iets in haar oor. Een hand met een trouwring rust op haar rug. De vrouw doet een wankele stap achteruit, zwaait flauwtjes en voelt bij het weglopen even aan haar stevig gelakte krullen. Die zijn niet in de war geraakt.

De dames die na haar opbreken roepen hun kerstwensen van veilige afstand of kloppen ten afscheid op de tafel. Plop knikt ze zelfgenoegzaam lachend toe; niet iedereen kan uitverkoren zijn. De man met het pochet van dennengroen verdwijnt in de gang naar de wc’s. Niet voor de toiletten, blijkbaar, maar vanwege de achteruitgang die zich daar ook bevindt. Onzichtbaar voor de rest van het gezelschap staat hij nog een tijdje na te babbelen met een van de vrouwen.

Zachtjes voor zich uit zingend keert hij even later terug in de eetzaal, waar Plop net een lege wijnfles op de bar zet. Diens luidkeelse afscheid weerkaatst tegen de rug van het barmeisje. Ze reageert zonder zich om te draaien. “Van hetzelfde!”

Laat wat van je horen

*